Bijbeluitleg en Exegese
What Early Christians Meant by 'Faith' (It Wasn't Belief)
Video met samenvatting en thematische tags.
Bijbeluitleg en Exegese
Samenvatting
Wat vroege christenen bedoelden met “geloof”
In dit gesprek spreekt C. J. Cornthwaite met de classicus en nieuwtestamenticus Theresa Morgan over haar boek Roman Faith and Christian Faith: Pistis and Fides in the Early Roman Empire and Early Churches. De centrale vraag is wat vroege christenen bedoelden met het woord pistis, dat vaak simpelweg als “geloof” of “belief” wordt vertaald, maar in de antieke wereld veel breder functioneerde [00:24].
Morgan begint bij Augustinus, omdat zijn onderscheid tussen fides quae en fides qua veel invloed heeft gehad op de latere christelijke theologie [01:41]. Fides quae verwijst naar “het geloof dat wij geloven”, dus de inhoud van de leer. Fides qua is “het geloof waarmee wij geloven”, de houding van het hart en verstand. Dat onderscheid is volgens Morgan belangrijk, maar ook beperkend: het legt veel nadruk op intellectuele instemming en laat de relationele en actieve kanten van geloof grotendeels buiten beeld [02:31].
Om de vroegste christenen goed te begrijpen, moeten we volgens Morgan kijken naar het gewone taalgebruik in de Grieks-Romeinse wereld. Gemeenschappen nemen bestaande woorden niet zomaar over met compleet nieuwe betekenissen [04:44]. In het Grieks draait pistis en in het Latijn fides in de eerste plaats om vertrouwen, betrouwbaarheid, trouw, goede trouw en krediet [05:41]. Het kan ook “belief” betekenen, maar dat is niet de kern. Vroege christenen nemen dit alledaagse trust-taalveld over en ontwikkelen het gaandeweg tot een rijk theologisch begrip [07:10].
In de Grieks-Romeinse wereld was vertrouwen ongelijk verdeeld. Mensen vertrouwden familie en zintuiglijke waarneming relatief sterk, maar vrienden, machthebbers, goden en keizers veel minder [08:34]. Joden en christenen onderscheiden zich doordat zij spreken over een God die volledig betrouwbaar is [10:12]. Dat vormt de basis voor het vroege christelijke verstaan van geloof.
Een belangrijk voorbeeld is Abraham. Paulus citeert Genesis 15:6: Abraham vertrouwde God en dat werd hem tot gerechtigheid gerekend [16:04]. Morgan benadrukt dat dit geen sprong in het niets is. Abraham heeft al een relatie met God; zijn vertrouwen groeit op basis van eerdere ervaring, maar richt zich ook op een nog onvervulde toekomst [16:58]. Geloof is dus relationeel en ontwikkelt zich in stappen, met vertrouwen, bevestiging en verdere overgave [17:42].
Bij Paulus ziet Morgan een ontwikkeling. In 1 Thessalonicenzen lijkt vertrouwen nog vooral gericht op God, terwijl Christus het middel is waardoor God handelt [25:50]. Later, vooral in Galaten en Romeinen, komt Christus veel sterker in het midden van de relatie tussen God en mens te staan [28:19]. De beroemde uitdrukking pistis Christou kan volgens Morgan zowel verwijzen naar Christus’ trouw aan God als naar menselijk vertrouwen in Christus [29:53]. Zij stelt dat beide betekenissen meespelen, omdat pistis relationeel is: vertrouwen heeft altijd twee kanten [30:48].
Daarmee beschrijft zij Christus als middelaar. Zoals een bemiddelaar in de antieke wereld betrouwbaar moest zijn voor beide partijen, zo staat Christus tussen God en mens in een dubbele relatie van vertrouwen [32:45]. God vertrouwt Christus, Christus vertrouwt God, en mensen worden uitgenodigd hun vertrouwen op Christus te stellen.
Later verandert het begrip opnieuw. In de pastorale brieven wordt geloof steeds meer gekoppeld aan sociale rollen en hiërarchieën [39:33]. Slaven, vrouwen, weduwen, leiders en diakenen krijgen elk een eigen manier waarop hun geloof zichtbaar zou moeten worden. Tegelijk verschuift autoriteit van levende apostelen naar betrouwbare woorden en teksten: pistos ho logos, “dit woord is betrouwbaar” [41:47]. Morgan ziet daarin het begin van het gezag van christelijke geschriften en uiteindelijk van het Nieuwe Testament [42:27].
In het Johannesevangelie valt op dat het zelfstandig naamwoord pistis ontbreekt, terwijl het werkwoord “geloven/vertrouwen” zeer vaak voorkomt [43:52]. Bij Johannes ligt de nadruk op het handelen van geloven: zien, horen, kennen en vertrouwen vallen dicht bij elkaar, omdat Jezus wordt gezien als openbaring van God [45:00].
Tot slot bespreekt Morgan de innerlijke kant van geloof. Geloof is niet alleen een gedachte, maar ook emotie, relatie en praktijk [49:32]. Twijfel of angst betekent niet automatisch dat iemand buiten de kring valt. De discipelen hebben geregeld “weinig geloof”, maar worden niet verworpen [52:07]. Ook “geloof zonder werken” bij Jakobus moet volgens Morgan niet worden gelezen alsof Paulus gedrag onbelangrijk vond; het gaat om de vraag hoe vertrouwen concreet zichtbaar wordt in handelen [54:05].
De 5 belangrijkste inzichten
- Pistis betekende in de antieke wereld vooral vertrouwen, trouw en betrouwbaarheid, niet alleen intellectueel geloof [05:41].
- Augustinus’ invloedrijke definitie maakte geloof later sterker intellectueel dan het in de vroegste context vaak was [01:41].
- Abrahams geloof is geen blinde sprong, maar vertrouwen dat groeit binnen een bestaande relatie met God [16:58].
- Bij Paulus functioneert Christus als betrouwbare middelaar tussen God en mens [29:53].
- In het Nieuwe Testament is geloof een geheel van houding, relatie, emotie en praktijk; twijfel of zwakheid maakt iemand niet meteen ontrouw [49:32].
