De 3 uitgangspunten van De Bewustzijnstheoloog (deel 3)
Richt je op het innerlijke Koninkrijk
In het eerste deel van deze serie schreef ik over het denken in goed en kwaad. In het tweede deel ging het over de ervaring van scheiding die daaruit kan ontstaan. Wanneer wij mensen voortdurend beoordelen en in categorieën vastzetten, verliezen wij gemakkelijk het zicht op de verbondenheid die onder onze verschillen aanwezig blijft. Daarmee komt vanzelf een derde vraag naar voren: als wij niet vanuit oordeel en scheiding willen leven, vanwaaruit leven wij dan wel?
Jezus gebruikt daarvoor steeds opnieuw een opvallend woord: het Koninkrijk van God. Lange tijd zocht ik dat Koninkrijk vooral buiten mijzelf, in religieuze structuren, een toekomstige hemel of een ingrijpen van God in de geschiedenis. Toch ben ik Zijn woorden anders gaan horen. Misschien begint het Koninkrijk waar de mens van binnenuit anders leert zien en leven.
Een Koninkrijk dat dichtbij is
In het vorige deel kwamen Jezus’ woorden uit Lukas 17 al kort voorbij. Wanneer de farizeeën Hem vragen wanneer het Koninkrijk zal komen, antwoordt Hij dat het niet verschijnt op een manier die je kunt aanwijzen. Vervolgens zegt Hij:
> “Het Koninkrijk van God is binnen in u.”
Die woorden kunnen ook worden vertaald als: midden onder u. Misschien hoeven wij niet tussen die twee vertalingen te kiezen. Het Koninkrijk is midden onder mensen doordat het in en tussen mensen gestalte krijgt. Kerken en tradities kunnen daarvan dragers zijn, maar zij kunnen het niet bezitten. Geen groep kan definitief zeggen: hier is God wel en daar is Hij niet.
Daarmee bedoel ik niet dat het Koninkrijk alleen een innerlijke gemoedstoestand is. Het is Gods werkelijkheid die het hele bestaan wil doordringen. Het menselijke hart is wel een van de eerste plaatsen waar die werkelijkheid ontvangen en zichtbaar wordt.
Verborgen in het gewone
Jezus beschrijft het Koninkrijk met alledaagse beelden. Het is als een mosterdzaad, als zuurdesem in deeg, als zaad dat in stilte groeit of als een schat in een akker. Steeds begint het klein en vaak onzichtbaar. Wij zoeken God gemakkelijk in het spectaculaire, terwijl Jezus wijst naar iets wat nauwelijks opvalt: een maaltijd, een kind of een mens die werkelijk wordt gezien.
Dat wordt concreet in een gewone ontmoeting. Iemand zegt iets wat mij raakt en vrijwel onmiddellijk vormt zich een oordeel. Ik plaats de ander in een categorie en bereid mijn verdediging al voor. Hij is dan nauwelijks nog een mens, maar vooral iemand die ongelijk heeft of eerst moet veranderen.
Soms lukt het om niet meteen vanuit die eerste reactie te handelen. Ik kan opmerken wat er in mij gebeurt en mij afvragen waarom het mij zo raakt of waarom het zo belangrijk voelt om gelijk te krijgen. Daardoor kan ik een vraag stellen in plaats van terug te slaan, luisteren zonder mijzelf te verliezen of een grens aangeven zonder de ander tot vijand te maken.
Tussen wat ik ervaar en hoe ik handel ontstaat ruimte. Misschien is dat een van de belangrijkste plaatsen waar het Koninkrijk zichtbaar wordt. Niet doordat mijn emoties verdwijnen, maar doordat zij niet langer automatisch bepalen wie ik ben en hoe ik reageer. In die ruimte kan iets anders opkomen: aandacht, eerlijkheid, mededogen of de bereidheid om opnieuw te kijken. Misschien is dat wel hoe het Koninkrijk meestal komt.
De mens als tempel
In het Oude Testament is de tempel de bijzondere plaats van Gods aanwezigheid. In het Nieuwe Testament verschuift dat beeld. Jezus spreekt over Zijn lichaam als tempel en Paulus schrijft dat Gods Geest in mensen woont. Hij spreekt over “Christus in u” en zegt: “Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij.”
Wanneer wij Gods aanwezigheid niet alleen boven of buiten ons zoeken, wordt de weg naar God ook een weg naar binnen. Daarmee bedoel ik niet dat wij zelf God zijn of dat het verschil tussen God en mens verdwijnt. God is niet eenvoudig een andere naam voor ons diepste gevoel, en niet iedere innerlijke impuls is daarom goddelijk. De Bijbelse taal houdt juist twee dingen bij elkaar: God is groter dan wij kunnen bevatten en tegelijk dichterbij dan wij vaak beseffen.
Wie naar binnen keert, treft bovendien niet alleen vrede aan. Daar leven ook angst, schaamte, vergelijking en zelfbescherming. Het innerlijke Koninkrijk betekent niet dat alles wat in ons leeft goed is, maar dat het niet automatisch hoeft te bepalen wat wij doen. Juist daar begint de mogelijkheid van verandering.
Innerlijk betekent niet privé
Spreken over een innerlijk Koninkrijk brengt een risico met zich mee. Spiritualiteit kan een manier worden om ons aan de werkelijkheid te onttrekken. Wij kunnen over vrede spreken omdat wij conflicten willen vermijden, of zeggen dat scheiding een illusie is terwijl wij de pijn van mensen negeren. Dan wordt het innerlijke geen bron van verandering, maar een schuilplaats.
Bij Jezus blijft het innerlijke nooit zonder uiterlijke gevolgen. Een boom wordt gekend aan zijn vruchten. Innerlijke vrede krijgt handen en voeten in verzoening, verbondenheid wordt zichtbaar in gastvrijheid en het loslaten van oordeel krijgt gestalte in barmhartigheid. Liefde voor God wordt concreet in liefde voor de naaste.
Soms vraagt dat om luisteren en vergeven, maar soms juist om spreken, begrenzen en verantwoordelijkheid nemen. Vrede is niet hetzelfde als de afwezigheid van spanning, liefde betekent niet dat alles moet worden toegestaan en niet-oordelen betekent niet dat wij geen onderscheid mogen maken tussen wat leven geeft en wat leven beschadigt. Het verschil is dat wij de ander niet reduceren tot zijn slechtste daad. Daarom begint het Koninkrijk in het hart, niet omdat het daar moet blijven, maar omdat alles wat wij naar buiten brengen daar wordt geboren.
Het Koninkrijk in de hele schepping
Het innerlijke Koninkrijk beperkt zich voor mij niet tot de menselijke ziel. De Bijbel beschrijft de hele schepping als een werkelijkheid die door God wordt gedragen. In Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. In Christus houden alle dingen stand en Paulus schrijft dat de schepping zucht en verlangt naar bevrijding. De wereld is in die visie geen dood decor voor alleen het menselijke verhaal.
Dat betekent niet dat God samenvalt met alles wat bestaat. De schepping is God niet, maar niets bestaat volledig los van Hem. Misschien kunnen wij daarom ook in de natuur iets van het Koninkrijk herkennen: in een zaad dat openbreekt, in een boom die zonder haast groeit en in de onderlinge afhankelijkheid van alles wat leeft. Het leven in een zaad ontvouwt zich wanneer de omstandigheden goed zijn. Misschien geldt iets vergelijkbaars voor de mens.
Eén beweging
Lange tijd dacht ik dat geestelijk leven vooral betekende dat ik moest wachten op iets wat nog ontbrak: meer geloof, meer zekerheid of een moment waarop God eindelijk dichtbij zou komen. Steeds vaker vraag ik mij af of niet God, maar ikzelf vaak afwezig ben. Daarom zijn stilte, gebed en aandacht voor mij belangrijk geworden, niet als technieken om iets bijzonders te bereiken, maar als manieren om aanwezig te worden bij wat er al is.
Dat kan vandaag zichtbaar worden wanneer ik mijn oordeel opmerk en het niet onmiddellijk uitspreek, eerst luister voordat ik mij verdedig, een grens trek zonder de ander te vernederen of mijn eigen aandeel in een conflict erken. Het innerlijke Koninkrijk is geen schuilplaats tegen de wereld, maar de plaats van waaruit wij de wereld anders tegemoet kunnen treden.
Misschien beschrijven deze drie uitgangspunten uiteindelijk één beweging. Wij beginnen met het loslaten van het voortdurende denken in goed en kwaad. Daardoor ontstaat ruimte om de onderliggende verbondenheid van het leven te herkennen. Vanuit die verbondenheid leren wij aandachtig te worden voor het Koninkrijk dat niet ver weg is, maar dichterbij dan wij vaak denken: in ons, tussen ons en in de hele schepping. Wat begint als een andere manier van kijken, kan zo langzaam uitgroeien tot een andere manier van leven.
